Een slaper verliest gemiddeld een halve liter vocht per nacht via transpiratie en ademhaling. Een deel daarvan trekt door het matras naar de onderzijde. Als die onderzijde op een dichte ondergrond ligt, zoals een dichte plank, kan het vocht niet verdampen. Het accumuleert in het schuim, verlaagt de vochtweerstand van het materiaal en bevordert op termijn schimmelgroei aan de oppervlakte van het matras.
Een lattenbodem met tussenruimtes zorgt dat de onderzijde van het matras ook wordt blootgesteld aan omgevingslucht, zodat vocht continu kan verdampen. Op een volledig dichte ondergrond is het matras op zijn kant zetten minimaal om de drie dagen noodzakelijk om vochtophoping te voorkomen.
Een tweede reden voor ventilatie is thermisch: de warmte die een slaper produceert trekt ook via de onderzijde van het matras weg. Bij onvoldoende ventilatie accumuleert warmte in het schuim, wat de slaaptemperatuur verhoogt.
Het minimum: een lattenbodem met latten op maximaal 5 centimeter tussenafstand. Het dagelijks twee uur terugslaan van het dekbed regelt de bovenzijde; de lattenbodem regelt de onderzijde.